Nl

Home pijltje tussen breadcrumb items labanotation

over labanotation: draaien

grijze facebook button
grijze +1 button

Draaien worden aangeduid met een parallellogram waarvan de schuine zijden de draairichting weergeven, zoals te zien is in figuur 10.

Over labanotation: de draairichtingen.
Figuur 10: De parallellogrammen die draairichting aangeven.

Wanneer de danser draait, wordt het symbool voor de juiste draairichting in de steunkolom geplaatst. Als gedraaid wordt op één been dan staat het symbool in de steunkolom van die zijde (figuur 11 (a)). Als op twee benen wordt gedraaid, dan strekt het symbool zich uit over de beide steunkolommen (figuur 11 (b)).

Over labanotation: een draai op het rechter been en één op twee benen.
Figuur 11: (a) Een draai op het rechter been wijzerzin en (b) op twee benen tegenwijzerzin.

Een zwarte naald in het draaisymbool geeft de hoek aan waarover gedraaid wordt. De voorwaartse richting die geldt vóór de draai, moet men dan denken als een verticale lijn zoals de stippellijn in figuur 12. De hoek, in de draairichting, tussen deze verticale stippellijn en de naald is dan de grootte van de draai.

Over labanotation: De grootte van een draai noteren.
Figuur 12: De grootte van de draai (a) naar links en (b) naar rechts.

In het Standaard Assenstelsel zijn boven en onder constant, maar de richtingen in het horizontale vlak draaien mee met de beweger. Na de draai is de voorwaartse richting niet meer dezelfde als voorheen. Althans niet als men ze beschouwt ten opzichte van een assenstelsel dat verbonden is aan de ruimte waarin de beweger zich bevindt. Zulk een assenstelsel noemt men het Constante Assenstelsel. Op een podium kiest men dikwijls richting publiek als constante richting voor.

Aan het begin van de notatie wordt meestal aangegeven hoe de voorwaartse richting van de danser (volgens het Standaard Assenstelsel) zich verhoudt tot de voorwaartse richting die in de ruimte is vastgelegd (die van het Constante Assenstelsel). Daarvoor wordt een rechte naald in een vierkantje gebruikt (figuur 13).

De relatie tussen standaard voor en constant voor.
Figuur 13 Het aangeven van de relatie tussen standaard voor en constant voor.

In figuur 14 (a) wordt de notatie van figuur 9 (b) herhaald, maar nu is aangegeven hoe standaard voor zich verhoudt tot constant voor. Als de beweger de voorwaartse bewegingen van de notatie uitvoert, zal hij zich in het constante assenstelsel naar links voor bewegen. Op het vloerplan van figuur 14 (b) is de beweger aangegeven met de zwarte naald, de pijl staat voor het pad dat hij volgt.

de verhouding tussen standaard voor en constant voor in de notatie en de 
								weergave ervan op een vloerplan.
Figuur 14: (a) Het aangeven van de verhouding tussen standaard voor en constant voor in de notatie en (b) de weergave ervan op een vloerplan.

In principe volstaat het om aan het begin van de notatie de verhouding van het Standaard Assenstelsel tot het Constante aan te geven. Men kan immers uit de grootten van de opeenvolgende draaien afleiden hoe het Standaard Assenstelsel wijzigt. Aangezien dit na enkele draaien heel wat afleidingswerk vergt, wordt meestal na elke draai een rechte naald geplaatst, zodat de lezer in één oogopslag de oriëntatie in het Constante Assenstelsel kan zien (figuur 15).

een notatie met draaien en na iedere draai een rechte pin.
Figuur 15: De notatie met na elke draai een rechte pin.